Intelligentie, sociale klasse en onderwijs

DJ nadoenEind jaren 60 lokte de Amerikaanse psycholoog Arthur Jensen (1969) wereldwijd een felle discussie uit met zijn stelling dat een groot deel (80 procent) van de variantie in intelligentie erfelijk is bepaald. Omgevingsfactoren, meende hij, spelen wel een rol, maar die is beperkt. Boven een bepaalde drempel heeft de omgeving, hoe zeer men ook zijn best doet, nauwelijks effect. Tal van grootmeesters in de psychologie mengden zich in het debat en de theorie van Jensen bleek niet houdbaar. Onderzoek wees uit dat intensieve en goed opgezette stimulering de ontwikkeling (van intelligentie) positief kan beïnvloeden (Nelissen, 2011).

Nu zou men vermoeden dat deskundigen met ideeën als die van Jensen terughoudend omspringen, maar dat is nog maar de vraag. Biochemicus Martijn Katan schrijft in NRC Next (2016) dat ‘meer dan 50 procent van de verschillen in IQ erfelijk zijn’. ‘Mensen trouwen meestal binnen hun eigen sociale klasse’, zegt Katan in zijn column. Hij schrijft: ‘Soort trouwt met soort’. En lager opgeleide paren krijgen dan volgens hem ‘kinderen die niet goed kunnen leren’. Dat komt in zijn ogen doordat ‘kinderen in de onderklasse van beide ouders een laag IQ erven’. Dat zijn geen geringe beweringen, maar kloppen deze ook? Het ziet ernaar uit dat het betoog van Katan wordt ontsierd door enkele spijtige onjuistheden en lacunes.

Wat is intelligentie?
Om te beginnen maakt Katan (2016) niet duidelijk wat hij onder intelligentie verstaat. Het is echter nuttig om, zoals iedereen in de standaardwerken kan nalezen, het volgende onderscheid serieus te nemen. Ten eerste bestaat er de potentiële intelligentie waarmee elk mens wordt geboren. Met dit genetisch bepaalde potentieel (‘nature’ genoemd) zal men zich moeten redden. Daar komt niets bij en er gaat niets af. Algemeen wordt aangenomen dat dit potentieel niet met een test te meten is. Het ligt vast, al gebeurt het wel dat bijvoorbeeld door ernstige verwaarlozing functies niet tot ontwikkeling kunnen komen en uitdoven (Nelissen, 2002). Er zijn gevallen beschreven van kinderen die bijvoorbeeld in bossen of kolenhokken werden aangetroffen en die geen (hogere) psychische vaardigheden hadden ontwikkeld (zoals taal, reflectie, geheugen, leervermogen, et cetera). Die kinderen waren naderhand meestal niet in staat nog een taal te leren.

Gerealiseerde intelligentie
Ten tweede is er de gerealiseerde intelligentie. Er moet met de talenten (het potentieel) worden ‘gewoekerd’ (‘nurture’ genoemd). Het potentieel moet immers worden ontwikkeld en dat is van veel factoren afhankelijk. Zoals inzet, motivatie, interesse, ouders, vrienden, leerkrachten, buurt, school, toeval, et cetera. Helaas worden talenten niet altijd onderkend, laat staan ontwikkeld. Maar eenmaal tot bloei gekomen, is talent wel objectief te observeren en als zodanig vast te stellen. En ten derde is er de gemeten intelligentie, IQ genoemd. De items van een standaard IQ-test weerspiegelen altijd de opvattingen over intelligentie waar de bedenkers van de test van uitgingen. Dat betekent dat de uitslag (het IQ) per test kan verschillen, want er komt alleen uit wat er – aan visie – in is gestopt. Natuurlijk is het IQ ook altijd gerelateerd met zowel de ‘nature’ als de ‘nurture’ factoren. Aan het gebruik van intelligentietests kleven bezwaren, omdat niet alle factoren die de intelligentie (mede) bepalen, worden meegenomen (zoals inzet en motivatie). De tests zijn niet geheel betrouwbaar, maar ze zijn het beste wat we hebben en we moeten het ermee doen.

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.