Lezen op basis van RTI werkt

pp.12-15_Couprie en Kleemans_JSW december 2017_LeesthermometerVeel scholen hebben aan het eind van groep 3 te maken met hetzelfde probleem: een deel van de leerlingen behaalt AVI-E3 niet, ondanks extra oefening op school en thuis. Een gevolg bij de meeste leerlingen is een daling van de leesmotivatie en het ontstaan van een negatief zelfbeeld. Onderzoek naar eventuele ernstige enkelvoudige dyslexie ligt nog niet in het verschiet. Basisschool De Akker in Putten, waar gewerkt wordt met Response To Intervention (RTI), heeft dit probleem getackeld door de inzet van groepsbeloningen.

Response To Intervention is een gelaagde benadering om de didactische vooruitgang van leerlingen binnen een klas te bepalen. Het wordt in Nederland op steeds grotere schaal toegepast en krijgt een 3,5 uit 5 in de ranking van aanbevolen, werkzame interventies (Mitchell, 2015), mits de interventie op de juiste wijze wordt uitgevoerd. Binnen het RTI-model wordt ervan uitgegaan dat leerlingen met name verschillen in de hoeveelheid tijd die nodig is om zich de leerstof toe te eigenen. Met behulp van adaptief gemaakte interventies wordt gedurende een periode van acht tot twaalf weken getoetst of de leerling de op dat moment centraal gestelde leerstof al dan niet beheerst. Feitelijk wordt daarmee de impact van het adaptief gemaakte onderwijs aan de hand van RTI systematisch getoetst. Dit op maat gemaakte karakter heeft een positief effect op de betrokkenheid van ouders en leerlingen.

Response To Intervention
Binnen het RTI-model wordt gewerkt met drie lagen. Laag 1 (vergelijkbaar met laag 1 van het dyslexieprotocol) in het model betreft het basisaanbod in de klas en is voor 80 procent van de leerlingen afdoende. Op laag 2 (vergelijkbaar met laag 2 van het dyslexieprotocol) wordt geïntensiveerd qua tijd: deze leerlingen (15 tot 20 procent) krijgen dagelijks twintig tot dertig minuten extra ondersteuning in kleine groepjes. Leerlingen (5 procent van de leerlingen) die desondanks nog onvoldoende profiteren van het aanbod op laag 1 en 2, krijgen daar bovenop in laag 3 (vergelijkbaar met laag 3 en in uitzonderlijke gevallen laag 4 van het dyslexieprotocol) gespecialiseerde, individuele instructie. Deze wordt gegeven door een remedial teacher of een ambulant begeleider. Gedurende het RTI-traject, wordt de vooruitgang van de leerling wekelijks gemeten aan de hand van Curriculum Based Measurement (CBM). Dit zijn door de leerkracht zelfontworpen korte toetsen waarin de leerstof van het gehele RTI-traject zit verwerkt. Op grond van de resultaten kunnen leerkrachten vaststellen of de verlengde instructie effectief is geweest en indien nodig hun instructie aanpassen. Het gebruik van CBM is bewezen effectief bevonden (Schneider, 2012).

RTI op de werkvloer
Basisschool De Akker staat in de zomer van 2016 voor een belangrijke keuze. Onder de leerlingen die dit schooljaar in groep 4 starten, bevindt zich een relatief grote groep uitvallers. Dit zijn leerlingen die eind groep 3 een lage score hadden op zowel de DMT (IV- of V-score) en achterliepen met het lezen van teksten (AVI-Start of -M3). Al deze leerlingen hebben in groep 1 en 2 al een voorschotbenadering gehad. Van een deel was bekend dat hun familieleden reeds gediagnosticeerd waren met dyslexie. Bovendien hebben ze in groep 3 aanvullende Remedial Teaching gehad. Wat nu te doen? Wachten tot dat deze kinderen in aanmerking komen voor vergoede diagnostiek naar Ernstige Enkelvoudige Dyslexie of het over een andere boeg gooien? De school kiest voor het laatste. Aan de hand van het RTI-model gaat men aan de slag, maar de motivatie van de leerlingen laat te wensen over. Duidelijk is dat iets extra’s nodig is om de leesachterstanden van deze groep niet verder te laten groeien.

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.