Opstellen van een schooladvies

pp.32-25_Rodrigues_JSW maart 2018_SteunEén van de belangrijkste taken die een leerkracht in groep 8 heeft, is het geven van een passend schooladvies aan leerlingen. Sinds 2014 is niet meer de eindtoets leidend bij de plaatsing van leerlingen in het voortgezet onderwijs, maar het advies van de leerkracht. Maar wat nemen leerkrachten mee in het opstellen van het schooladvies? En hoe ervaren zijzelf het opstellen van het schooladvies?

Rotterdam is in Nederland de stad met de grootste onderwijsachterstanden (laagopgeleide ouders, hoog schooluitval en laagste Cito-eindscores) (De Boom, Van Wensveen, Roode, & De Graaf, 2016). Vanwege die grote diversiteit is Rotterdam een interessante context om onderzoek te doen naar het werk van leerkrachten in deze stad. Twee jaar lang deed het lectoraat Ouders in Rotterdam van het Kenniscentrum Talentontwikkeling van Hogeschool Rotterdam onderzoek naar de ervaringen van leerkrachten in Rotterdam in het opstellen van het schooladvies. Het is bekend dat de meeste scholen geen richtlijnen hebben voor het opstellen van het schooladvies en het afwegen van factoren die hierbij van belang zijn (Inspectie van het Onderwijs, 2014). Verder weten we dat sommige groepen leerlingen benadeeld worden in het schooladvies, zoals leerlingen met laagopgeleide ouders (Inspectie van het Onderwijs, 2016).

Onderzoek
Voor het onderzoek zijn tien leerkrachten in schooljaar 2012/2013 tien leerkrachten in 2014/2015 geïnterviewd. De leerkrachten uit schooljaar 2012/2013 hadden tijdens het interview te maken met de ‘oude’ situatie. De eindtoets was in dat schooljaar vaak bepalend bij de plaatsing van de leerlingen in het voortgezet onderwijs. Leerkrachten uit schooljaar 2014/2015 hadden in dat schooljaar te maken met een ‘nieuwe’ situatie door de Wet Eindtoetsing Primair Onderwijs. Zij moesten hun schooladvies opstellen aan de hand van de Rotterdamse Plaatsingswijzer (Fokor, 2014). Verder was de eindtoets verplaatst naar een later moment in het schooljaar. Alle leerkrachten in dit onderzoek werken op scholen die gesitueerd zijn in relatief arme wijken in Rotterdam (in Rotterdam-Zuid en Rotterdam-West) en waar meer dan 50 procent van de leerlingen en ouders een migratieachtergrond heeft. Vier van de tien leerkrachten hebben zelf een migratieachtergrond. Aan leerkrachten is gevraagd welke hulpbronnen zij inzetten bij het opstellen van het schooladvies en hoe zij deze hulpbronnen waarderen. Hulpbronnen (‘resources’) zijn alle materiële en immateriële elementen die mensen met elkaar kunnen uitwisselen, zoals goederen (bijvoorbeeld geld), symbolen (bijvoorbeeld taal), kennis, sociaal-emotionele steun en ervaringen (Foa, Converse, Tornblom, & Foa, 1993; Terwel, Rodrigues, & Van de Koot-Dees, 2011).

Wil je verder lezen maar heb je nog geen abonnement? Klik dan hier.
Heb je een abonnement en wil je digitaal verder lezen? Klik dan hier.